Blog 2: Jeugdzorg in Nederland: Quo Vadis?

Dit blog is het tweede in een reeks over de zorg in Nederland. Het is een samenvatting van een van de hoofdstukken uit de publicatie ‘Agenda voor de toekomst. Contouren van de zorg in 2025’. Het artikel is gebaseerd op gesprekken met:

• Dr. Dorien Graas, lector Jeugd Windesheim, Zwolle
• Dr. Rob Gilsing, lector Jeugdhulp in Transformatie, Haagse Hogeschool
• Dr. Peer van der Helm, lector ResidentiŰle Zorg, Hogeschool Leiden
• Professor dr. Ron Scholte, hoogleraar Orthopedagogiek: Gezin en Gedrag, Radboud Universiteit Nijmegen
• Professor dr. Robert Vermeiren, hoogleraar Kinder- en Jeugdpsychiatrie, Rijksuniversiteit Leiden
• Professor dr. Tom van Yperen, bijzonder hoogleraar Monitoring en Innovatie, Rijksuniversiteit Groningen

In het eerste blog ben ik vooral ingegaan op de jeugd, de ontwikkelingen op het terrein van de jeugdproblematiek en de oorzaken daarvan. In deze blog ga ik meer in op de oplossingsrichtingen.

Onduidelijkheden over effectiviteit interventies
Ook een belangrijk punt van aandacht is dat men in de jeugdzorg nog steeds weinig zicht heeft op de effectiviteit van trajecten in de dagelijkse praktijk. Tegelijk wordt er van wat we wel weten te weinig gebruik gemaakt en wordt er te weinig gestuurd op het gebruik maken van deze kennis.

Werking van het huidige stelsel
Daarnaast is de zorg toegankelijker geworden: in het kader van de transitie naar gemeenten, kreeg de jeugdzorg meer toegangen op lokaal niveau. Dit verklaart deels de groei in vraag conform het adagium hoe toegankelijker, des te meer mensen er gebruik van gaan maken. Nu jeugdzorg meer en meer in wijkteams wordt ondergebracht, zie je deze groei alleen maar verder toenemen, simpelweg omdat de zorg nog toegankelijker is geworden. Voor een deel valt deze groei in vraag te verklaren doordat de gemeenten in het kader van de transformatie weliswaar de jeugdzorg dicht bij de burger hebben gepositioneerd, maar nog niet toe zijn gekomen aan het tweede deel van de transformatie: preventie en het stimuleren van de kwaliteit van het opgroeien en opvoeden van kinderen in hun omgeving (gezin, school, kinderopvang, sportvereniging etc.). Daarbij dient men rekening te houden met de grotere context: de gemeenten kregen bij de transformatie niet alleen 15% minder budget, maar ook weinig tijd om de transformatie tot stand te brengen. Bovendien bepaalt niet alleen de gemeente de toegang tot de jeugdzorg, maar instroom is ook mogelijk via de huisarts of de rechter. Deze combinatie van bezuinigingen, korte tijdspanne voor de invoering, geen sturing op instroom en een steeds betere toegankelijkheid liggen mede aan de basis van de toegenomen vraag.

Ontbreken regie en co÷rdinatie
Als we naar de uitvoering van de zorg kijken, wordt binnen het huidig stelsel een duidelijke regievoering en co÷rdinatie gemist: zie de fouten en incidenten uit het verleden en heden. Er ontbreken functionarissen met het mandaat en de vaardigheden om inhoud en vorm te geven aan deze regie- en co÷rdinatiefunctie. Een voorbeeld van regie en co÷rdinatie zou de combinatie van de gz-psycholoog met orthopedagoog kunnen zijn: ze kunnen samen een team vormen, waarbij de een zich meer op de dynamiek van de context richt, en de ander zich meer richt op de individuele problematiek op psychisch en gedragsmatig gebied. Maar ook methodieken als JIM (Jouw Ingebrachte Mentor) zou het gebrek aan regie en co÷rdinatie kunnen verhelpen. Daarnaast is het zicht op de bredere context van belang: over een probleem bij kinderen kun je immers geen oordeel vellen als je de bredere context van ouders, onderwijs, vrienden, buitenschoolse activiteiten et cetera niet kent. Dit is de randvoorwaarde voor integraal denken: het gezin staat centraal en professionals proberen, alles in ogenschouw nemend, hun zorgvraag en behoeften te begrijpen.

‘Over een probleem bij kinderen kun je geen oordeel vellen als je de bredere context van ouders, onderwijs, vrienden, buitenschoolse activiteiten et cetera niet kent’

Compartementalisering, fragmentatie en ontbreken afstemming op andere domeinen
Het stelsel van de jeugdzorg kenmerkt zich door compartimentalisering en fragmentatie, waarvan de effecten door de recente Jeugdwet overigens bestuurlijk en financieel al kleiner zijn gemaakt. Terwijl de professionals weten dat problemen zich over meerdere levensterreinen uitstrekken, maakt het systeem dat een ieder zich noodgedwongen beperkt tot zijn eigen onderdeel. Wat bÝnnen de jeugdzorg speelt, speelt ook tussen de jeugdzorg en andere domeinen. Als voorbeeld kunnen gezinnen met meervoudige problemen dienen, een van de vele doelgroepen. Hierbij spelen twee zaken, namelijk de intergenerationele overdracht van problemen en het effect van financiŰle problemen. De intergenerationele problematiek houdt in dat vaak al bij meerdere generaties dezelfde problematiek speelt en de uitdaging is dit automatisme te doorbreken. Daarnaast blijken financiŰle problemen vaak de aanleiding te zijn voor allerlei andere, vaak psychische problematiek. Als deze financiŰle problemen worden opgelost, blijkt er veel weer mogelijk. Dit is dus een belangrijk eerste punt om aan te pakken. Dit voorbeeld onderstreept de noodzaak om breed te kijken en een gecombineerde aanpak te hanteren waarbij men met alle aspecten rekening houdt, en over de grenzen van de domeinen Ún de tijd heen kijkt om te zien welke interventie wanneer het meest effectief is. En de mogelijkheid krijgt om dit ook daadwerkelijk te doen.

‘FinanciŰle problemen blijken vaak de aanleiding te zijn voor allerlei andere, vaak psychische problematiek. Die moet je eerst aanpakken’

Personeel
De transitie is gekomen op een tijdstip waarop de economie weer aantrok. Dit heeft net als in andere sectoren van de zorg geleid tot een uitstroom van personeel met als resultaat minder en minder voldoende gekwalificeerd personeel. Deels is men binnen de zorg van de ene naar een andere sector overgestapt, deels van de zorg naar bijvoorbeeld de gemeente, die voor hetzelfde werk een hogere inschaling kan bieden. Tenslotte is een deel via uitzendbureauconstructies aan het werk, waardoor men soms 50% meer is gaan verdienen. Doordat de transitie werd gecombineerd met een forse bezuiniging, is niet alleen de zorg in kwaliteit achteruitgegaan door de uitstroom van medewerkers, maar ook in omvang afgenomen. Dit is de situatie van waaruit weer gebouwd moet gaan worden.

Kortom, er zijn veel partijen die een bijdrage hebben geleverd aan de huidige problematiek: ouders die steeds hogere eisen stellen, scholen die meer zijn gaan psychologiseren en bij de leeftijd horend gedrag afwijkend zijn gaan vinden, hogere normen, meer dwang, gemeentes die niet weten wat ze inkopen en alleen op prijs laten concurreren, rommelige uitvoering zonder regie en co÷rdinatie met interventies waarvan met niet weet of ze effectief zijn voor problemen die zichzelf vaak in de loop der tijd oplossen. Oftewel, waar te beginnen?

Een praktische mogelijkheid zou de volgende kunnen zijn:
• benoem de top 10 van problemen
• benoem per probleem de 3 meest effectieve interventies
Op deze wijze kom je tot een mate van standaardisatie die het vergelijken van interventies in de praktijk mogelijk maakt en eveneens aanzet tot van elkaar leren. Het maakt het veld voor de burger ook overzichtelijker die bovendien ook beter interventies en professionals met elkaar kan vergelijken. Wat me in het verlengde hiervan ook altijd heeft verbaasd is dat de VNG geen enkele poging heeft gedaan om te komen tot enige mate van synchronisatie van het gehele proces van aanbesteding, contractering, verantwoording en facturatie. Hierdoor kreeg je 378 varianten binnen dit geheel. Het maakt het geheel niet echt veel overzichtelijker. En zolang dergelijke stappen niet zijn gezet blijven we een jeugdzorg houden die op zoek is naar een weg naar de toekomst.